Skip to: site menu | section menu | main content
http://nos.nl/artikel/181629-advies-eicellen-invriezen-moet-mogen.html En waar is het kind?...
Op D.V zaterdag 2 oktober 2010 organiseert Way of Life, de jongerenorganisatie van de NPV, samen...
Lees hier het verslag van de discussie tussen Stef Groenewoud (directeur Lindeboominstituut)...
Heb je het nieuws de afgelopen weken actief gevolgd? Toevallig iets meegekregen over het burgeriniti
Sinds ik op de Hart Transplantatie Unit van het Erasmus MC werk, zie ik geregeld mensen naar huis gaan met een donorhart. Een geweldige verbetering voor deze mensen. Als je het ziet, durf je eigenlijk geen argumenten tegen orgaantransplantatie meer aan te voeren. Maar laten we ons niet te veel leiden door resultaten?
In dit artikel hoop ik enige helderheid te verschaffen over orgaantransplantatie. Daartoe eerst een begripsbepaling. Daarna iets over de technische kant omdat deze onontbeerlijk voor een goede beeldvorming over het onderwerp en specifiek terugkomt in argumenten van ethische aard. Tenslotte hoop ik dan de discussie over dit onderwerp iets doorzichtiger te maken. Één ding wil ik vooraf zeggen: het onderwerp is moeilijk vanwege de ethische vragen die het met zich meebrengt. Maar het is ook moeilijk omdat we over de dood en over ons levenseinde spreken. Ik zal dit op een voorzichtige maar ook eerlijke manier doen en hoop niemand pijn te doen of te kwetsen met bepaalde formuleringen.
Begripsbepaling
Letterlijk betekent orgaantransplantatie: het overplanten van een orgaan. In de praktijk hoort hier ook nog weefseltransplantatie bij. Van de organen kunnen nieren, hart, longen, alvleesklier, bloedvaten, darmen en lever getransplanteerd worden. Van weefsels bloed, hoornvlies, huid, bot, kraakbeen, pezen en hartkleppen en beenmerg.
Transplanteren gebeurt van een donor naar een acceptor. Dit kan één en dezelfde persoon zijn, dan heet het autotransplantatie. Als het om een transplantatie gaat binnen één soort wordt het allotransplantatie genoemd. Is de donor van een andere soort dan de acceptor, spreken we van xenotransplantatie. Ik wil het uitsluitend over de tweede vorm, allotransplantatie, hebben.
Hierin kunnen we weer onderscheid maken tussen levende en dode donoren. Wat tegenwoordig heel veel gebeurt, is dat mensen een nier aan een broer of zus dan wel kind geven. Ook beenmergtransplantatie en leverkwabtransplantatie vindt veel plaats tussen naaste verwanten. Verder behoort natuurlijk iedereen die gezond is en een goed Hb heeft, bloeddonor te zijn; dat is ook een vorm van donatie bij het leven. De andere organen en weefsels kunnen alleen getransplanteerd worden vanuit een gestorven donor, omdat ze essentieel zijn. Postmortale donatie kan ook weer op twee manieren: heart-beating donatie en non-heart-beating donatie. In het eerste geval is iemand hersendood maar wordt het lichaam kunstmatig in leven gehouden. In het tweede geval klopt het hart ook niet meer en kunnen (tot op dit moment) alleen de nieren getransplanteerd worden. Omdat dit een heel nieuw onderzoeksterrein is, wil ik dit verder laten liggen. Ik wil dus vooral ingaan op postmortale, heart-beating donatie.
Technische kant
Laten we voor het gemak een mannelijke donor als uitgangspunt nemen. Deze wordt geacht zijn donorcodicil in te vullen als hij 18 jaar is.[1] Het donorcodicil is een formulier, waarop hij vier keuzemogelijkheden aan kan kruisen:
Als hij voor optie één kiest, kan hij vervolgens aankruisen welke organen of weefsels hij niet wil geven. Als hij de keuze overlaat aan een specifiek persoon, kan hij de gegevens van die persoon opgeven. Op dit moment hebben bijna 5.000.000 mensen zich laten registeren, 56 procent koos voor de eerste optie, 31 procent voor de tweede, 11 procent voor de derde en 2 procent voor de laatste.
Hoe gaat het dan verder? Er worden maximum leeftijden gehanteerd voor donororganen en er zijn strenge criteria. Daarom zijn mensen bij wie het werkelijk tot orgaandonatie komt jong en komen ze meestal na een ernstig ongeval in het ziekenhuis. Als het dermate ernstig is dat er geen behandelingsmogelijkheden meer zijn en de patiënt hersendood lijkt te zijn, overweegt de arts orgaandonatie.
1. Als eerste hij gaat kijken of de patiënt aan bepaalde criteria voldoet. Hij mag niet te oud zijn, hij mag geen bloedvergiftiging hebben, geen tumoren, geen HIV en zo voort. Hij moet dit alles overleggen met een transplantatiecoördinator.
2. Vervolgens komt er een neuroloog. Zowel de behandelende arts als de betreffende neuroloog mogen niet betrokken zijn bij het verwijderen of plaatsen van het orgaan. Zij gaan een aantal tests doen om te kijken of de patiënt echt hersendood is. Dat doen ze door het maken van een EEG, een hersenfilm, waarmee hersenactiviteit gemeten kan worden. Verder kijken ze of iemand nog zelfstandig kan ademhalen, dus ze zetten gedurende enkele minuten de beademing stop. Ze meten bepaalde reflexen: ze tillen even de oogleden op om te kijken of de pupillen nog reageren op licht.
3. Als officieel hersendood wordt vastgesteld raadpleegt men het donorregister. Indien toestemming gegeven is voor donatie, wordt de familie geïnformeerd over de procedure, in het andere geval moet de nabestaanden eerst om toestemming gevraagd worden. Dat kan ook de specifieke persoon zijn die opgegeven is.
4. Als de procedure van orgaandonatie werkelijk in gang gezet wordt, neemt men bloed af en wordt er een weefseltypering gedaan. De bloedgroep en het weefseltype van donor en ontvanger moeten namelijk enigszins overeenkomen, daar kom ik straks nog op terug. Vervolgens wordt contact gelegd met Eurotransplant, een organisatie die in de Benelux, West-Duitsland en Oostenrijk de beschikbare organen verdeelt. Men kijkt of er in de genoemde landen een patiënt is met ongeveer dezelfde weefseltypering en bloedgroep. Intussen worden de voorbereidingen getroffen voor het uitnemen van de organen die uitgenomen kúnnen worden. Tussen het vaststellen van de hersendood en de operatie zit 4-12 uur en de operatie duurt zelf 3-6 uur. De overledene kan opgebaard worden zonder dat er iets van de verwijdering van organen te zien is. Dan is het lichaam voor de familie. Tijdens de wachttijd tot de operatie plaatsvindt, mag de familie trouwens ook bij de overledene zijn.
5. De organen worden behandeld met speciale middelen, waardoor ze langer goed blijven. Hart, alvleesklier en lever blijven maar 4-6 uur geschikt voor transplantatie. Met nieuwere preservatiemiddelen wordt dat langer. Een nier is 48 uur houdbaar. Weefsels kunnen ingevroren worden, dus die kunnen in lengte van jaren goed gehouden worden. Maar vooral harten en levers moeten met helikopters of vliegtuigen naar bestemming worden gebracht, waar de ontvanger dan als het goed is al ligt te wachten op het orgaan.
De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat dit de meest ideale volgorde is. In de praktijk is een andere volgorde ook toegestaan. Het kan bijvoorbeeld nodig zijn om bloed af te nemen terwijl de hersendood nog niet is vastgesteld. Hier zitten wel hele strenge voorwaarden aan vast. Ook zal de arts in een aantal gevallen, als de patiënt klinisch hersendood is of er geen enkel uitzicht op verbetering is, het donorregister al raadplegen.
Daarmee zijn we als vanzelf bij de acceptor aangekomen. Er zijn lange wachtlijsten voor het ontvangen van een orgaan. Op een nier moet je soms wel vier jaar wachten, voor een long is de wachttijd een jaar en voor een hart acht maanden. Dit betekent heel wat voor een patiënt: acht maanden op een hart wachten is een hele poos als je bedenkt dat van de 100 mensen met hartfalen die op nieuwjaarsdag nog leven, maar 70 mensen oudejaarsdag halen. Er zijn strenge criteria voor het plaatsen van mensen op de wachtlijsten.
Wanneer iemand eenmaal op de wachtlijst staat, zijn er menselijk gezien een aantal factoren die bepalen wanneer diegene in aanmerking komt voor transplantatie:
Het belangrijkste is dat er organen gevonden worden die ongeveer dezelfde weefselkenmerken hebben als die van de acceptor. Elk individu heeft een uniek weefseltype, ook wel HLA-type genoemd.[2] Dit HLA-type wordt bepaald door eiwitstructuren op de celmembraan van elke cel in het menselijk lichaam. Deze structuren gaan interacties aan met het afweersysteem. Als het afweersysteem waarneemt dat het lichaamseigen eiwitten bindt, wordt de cel niet aangevallen, hetgeen wel het geval is indien een lichaamsvreemd HLA-eiwit gebonden wordt. Dit vindt massaal plaats bij implantering van een lichaamsvreemd orgaan. Men spreekt dan van afstoting. Zoals ik al schreef is het HLA-type van elk mens uniek. Wel is het zo dat er sterke gelijkenis kan zijn tussen de HLA-types van verschillende individuen. Dat is meest zo bij bloedverwanten, maar aangezien er een beperkt aantal variabelen zijn bij het samenstellen van de betreffende eiwitten, kan er ook een grote mate van overeenkomst gevonden worden tussen twee niet-verwanten. Daarom zoekt men naar organen met een HLA-type dat het meest overeenkomst met die van het lichaam van de acceptor.
Verder moet er overeenkomst zijn in bloedgroep tussen de donor en de ontvanger en ook lengte en gewicht van de donor en de ontvanger moeten ongeveer gelijk zijn bij transplantatie van een hart, longen en lever. Ook de medische urgentie is belangrijk. De gezondheidstoestand gaat soms boven de wachttijd. Alleen indien er twee ‘gelijkwaardige’ patiënten op de wachtlijst staan, gaat het donororgaan naar de patiënt die het langst op de wachtlijst staat.
Na transplantatie kan er sprake zijn van drie soorten afstoting: hyperacuut, acuut en chronisch. Het eerste berust op een fout en komt gelukkig bijna nooit voor. Normaal gesproken krijgt de patiënt medicijnen die de afweer onderdrukken, oftewel immuunsuppressiva. Dit doet men omdat het HLA-type van donor en acceptor nooit helemaal overeenkomen. Ondanks deze medicatie kan er toch afstoting optreden: de acute afstoting. Men spreekt van acute afstoting wanneer het plaatsvindt tussen orgaantransplantatie en een maand na dato. Het is meestal goed te verhelpen met een stootkuur immuunsuppressiva. Wanneer dit niet optreedt of het wordt aldus verholpen krijgt elke patiënt te maken met chronische afstoting. Dit is feitelijk geen afstoting maar versnelde veroudering van het transplantaat. Cellen van het lichaamsvreemde orgaan worden door onbekende factoren sneller afgebroken dan de cellen van lichaamseigen organen.
In de meeste gevallen is er een enorme verbetering te zien in het functioneren van getransplanteerde patiënten. Voor nierpatiënten is geen dialyse meer nodig, longpatiënten zijn van de benauwdheid af en hartpatiënten kunnen vaak gewoon weer in de tuin werken. Toch zijn er ook duidelijk nadelen. Het gevaar van afstoting dreigt altijd. De immuunsuppressiva zorgen voor infecties: omdat het afweersysteem onderdrukt wordt, krijgen bacteriën en virussen de kans. Het gevaar van infecties heeft grote impact op het leven van mensen.
Ethische kant
Als eerste wil ik benadrukken dat het invullen van het codicil van groot belang is. Indien er nooit een codicil ingestuurd is en u zou met ernstige verwondingen in het ziekenhuis komen, ligt de beslissing bij uw familie wanneer er gekozen moet worden in deze zaak. Vanzelfsprekend is dat een grote belasting. Als u toch om bepaalde redenen het codicil niet invult, is het belangrijk deze kwestie met uw familie te bespreken.
Om te helpen bij het nemen van een beslissing is het goed om helder te krijgen wat de voor- en tegenargumenten zijn bij orgaantransplantatie. Om deze helderheid te verschaffen geef ik eerst enkele overwegingen voor donatie, daarna enkele tegen. Ik zet er direct bij wat er af te dingen is van deze argumenten.
Er zijn eigenlijk twee argumenten voor:
1. Hét grote voorargument is dat naastenliefde in de Bijbel een belangrijke plaats inneemt, en dat orgaandonatie ons daarom past. Naastenliefde mag de enige drijfveer zijn om orgaandonor te worden. In de Bijbel zie je ook een aantal keer dat mensen zich opofferen voor hun medemens of dat wel zouden willen doen. David had wel in de plaats van Absalom willen sterven. In Galaten 4:15 staat: ‘want ik geef u getuigenis, dat gij, zo het mogelijk ware, uw ogen zou uitgegraven en mij gegeven hebben’. Hieruit blijkt ook de grote liefde van de Galaten tot Paulus waardoor ze tot grote offers bereid waren. Dit moeten we vanzelfsprekend niet letterlijk betrekken op orgaantransplantatie, maar het spreekt duidelijk van offervaardigheid. We moeten naastenliefde of offervaardigheid nooit opvatten als de verplichting tot orgaandonatie. Het blijft een vrijwillige zaak. Maar áls we besluiten tot het doneren van organen moet offervaardigheid onze drijfveer zijn.
Het argument van naastenliefde geeft direct ook een probleem. In hoeverre kunnen we spreken van naastenliefde wanneer iets weggegeven wordt na het sterven? We kunnen een vergelijking maken met de schenking van een legaat na het sterven. Dit kan wel uit liefde gedaan worden, omdat het vóór het sterven besloten is. En kun je strikt genomen wel van naastenliefde spreken als de organen naar iemand in Duitsland gaan? Ook hier is een parallel te trekken met een andere vorm van offervaardigheid, namelijk het financieel steunen van projecten in Derde Wereldlanden. Er zal niemand zijn die dit afkeurt omdat er geen sprake is van een directe relatie tussen de gever en de ontvanger. Toch erken ik dat het wel een beetje wringt.
2. Een tweede argument, dat hiermee samenhangt, is dat orgaantransplantatie het leven van iemand verlengt, en dat daarmee de genadetijd van die persoon langer wordt.
Dit is waar, maar we moeten oppassen met dit argument. Genadetijd kan ook verkeerd gebruikt worden zoals bij Hizkia. Verder moeten we misschien juist wel de levenslengte in Gods hand laten en niet zelf op allerlei manier de tijd van iemand proberen te verlengen. Ik kom hier nog op terug. Als zelfstandig argument is dit niet bruikbaar, omdat verlenging van genadetijd niet alles rechtvaardigt.
We houden dan maar één deugdelijk argument over om vóór orgaantransplantatie te kiezen en dat is de naastenliefde, of de opofferingsgezindheid, zij het met de vraag in hoeverre sprake is van echte naastenliefde.
Tegenargumenten zijn er meer te bedenken. Maar ook hier is telkens wel iets af te dingen.
1. Het eerste is de vraag naar het rentmeesterschap. God zal verantwoording van ons vragen over wat we met ons lichaam gedaan hebben. Mogen we dan zomaar het hart eruit halen of de longen? Hier is geen eenduidig antwoord op te geven. Hier geldt: ‘een iegelijk zij in zijn eigen gemoed ten volle verzekerd’ (Romeinen 14:5). Er wordt in dit verband ook wel eens verwezen naar de mummificatie van Jozef. Bij mummificatie worden alle organen eruit gehaald. Dit wordt dan als bewijs aangevoerd dat iemand zijn of haar organen mag laten verwijderen. Hiermee moet men oppassen, omdat voor mummificatie niet in alle tijden dezelfde procedure gevolgd werd. Ook haalt men op dit punt vaak de wederopstanding uit de doden aan. Dit zou een reden zijn om geen organen te laten verwijderen. Dit snijdt echter geen hout omdat iedereen met een onvolkomen lichaam begraven wordt.
2. Een tweede punt is de vraag of we niet teveel iemands leven willen verlengen door organen te transplanteren. Dit is eigenlijk hetzelfde als het tweede punt bij de voorargumenten, maar dan vanaf de negatieve zijde benaderd. Voor veel mensen is het vervangen van organen heel duidelijk het willen ingrijpen in Gods voorzienigheid. Het geldt natuurlijk in het algemeen voor elke handeling van de arts, dat hij aan de ene kant aan zijn verantwoordelijkheid invulling geeft en aan de andere kant ook God moet vrijlaten in wat Hij doet. Dit blijft altijd een spanningsveld en dit wordt het meest gevoeld bij ernstige ziekte waarbij overwogen moet worden of er nog een behandeling gekozen moet worden. Orgaantransplantatie is wel een hele bijzondere en ingrijpende vorm van behandeling. Ik kan met mensen meevoelen die om deze reden niet getransplanteerd wensen te worden. Ook hier draait het om de vraag wat een ieder voor zichzelf kan verantwoorden
3. Het derde is, de onzekerheid of hersendood wel echt dood is. Je moet je voorstellen dat je aan het bed staat van iemand van wie het hart nog klopt, het bloed nog door de slagaders stroomt en die nog gewoon ademt. En toch zeggen de artsen dat die persoon niet meer leeft. Om hier even over na te denken het volgende:
Vroeger was het onomstotelijk vast te stellen wanneer iemand overleden was. Wanneer het hart niet meer klopte en hij of zij niet meer ademde was bewezen dat iemand overleden was. Op een gegeven moment ging men de techniek van het reanimeren toepassen. Een persoon die de tekenen van overlijden vertoonde, was dus toch nog niet gestorven. Tegenwoordig zie je dat ook bij operaties: het hart van een patiënt wordt helemaal uitgeschakeld, zijn ademhaling wordt overgenomen, maar toch zeg je van zo iemand niet dat hij gestorven is. We moeten dus een nieuw antwoord vinden op de vraag wanneer iemand overleden is. Neem mij niet kwalijk voor het wat plastische voorbeeld, maar stel dat je een patiënt zou hebben, zonder hoofd en je zou die patiënt toch nog met beademing en met een pomp in leven kunnen houden, zou je dan van een levend mens spreken? Wanneer we het zo bekijken is hersendood een goed ‘criterium’ voor de dood. We belijden op grond van de Bijbel dat iemand sterft wanneer de ziel van het lichaam scheidt. We moeten niet proberen de ziel te lokaliseren, hetgeen overigens ook nooit mogelijk zal zijn. Maar er is wel een duidelijk interactie tussen de ziel en de hersenen. Dat mogen we denk ik wel zeggen. Op die manier is ook te beredeneren dat hersendood echt dood is. Maar toch blijft het moeilijk:
- Als je bedenkt dat het tijdstip van overlijden bij orgaandonatie per definitie later valt dan zonder orgaandonatie. Immers, als bij een orgaandonor om vier uur hersendood aangetoond wordt is hij op dat moment gestorven. Maar bij een persoon die geen donor is en bij wie om vier uur hersendood wordt geconstateerd, worden de stekkers eruit getrokken, maar klopt het hart nog even door, werken de nieren nog iets langer enz. Van diegene wordt dan bijvoorbeeld opgeschreven dat hij om kwart over vier gestorven is.
- Als je bedenkt dat zo iemand geen lijkkleur heeft, warm aanvoelt, urine produceert en dat de nagels en haren nog gewoon doorgroeien. Ja, nog sterker: er is een zwangere vrouw geweest die door een bepaalde oorzaak hersendood was en die men in leven gehouden heeft tot het kindje volgroeid was. De hormoonregulatie werkte nog prima.
- Als je bedenkt dat er in 1992 een man was van wie men aannam dat hij hersendood was en die van de apparatuur gehaald werd, maar na een week toch weer bij kennis kwam. Natuurlijk ging het om een fout. Hier kom ik zo nog op terug.
Ik denk dat we dus wel kunnen zeggen dat hersendood echt dood is. Maar het blijft voor ons mensen een probleem omdat het heel onnatuurlijk aandoet. En hierbij komt nog dat het voor mensen echt heel moeilijk kan zijn om afscheid te nemen van een familielid die hersendood is. Dat moeten we niet onderschatten.
4. Ik noemde al de relatie tussen de ziel en het lichaam. Er wordt vaak gesproken over de plaats van de persoonlijkheid en de ziel als het om orgaandonatie gaat. We transplanteren wel harten en nieren, maar als er in de Bijbel staat ‘mijn nieren verlangen zeer in mijn schoot’ (Job 19:27), geef je dan een stuk gevoel weg als je een nier doneert? Het hart komt in de Bijbel toch ook heel vaak terug als de zetel van de ziel? Geven we als orgaandonor onze ziel aan iemand anders na onze dood? In de eerste plaats weten we allemaal dat de Bijbel vaak beeldend spreekt en we weten ook dat de Bijbel geen wetenschappelijk boek is. Er zal niemand meer zijn die zegt dat hij voelt met de nieren. Ook weten we dat het hart een spier is. Daarom durf ik met een gerust hart te zeggen dat we evengoed de huid als het hart weg kunnen geven. Hiermee wil ik overigens niet zeggen dat je ook al je organen moet doneren als je voor de eerste optie van het donorcodicil kiest.
5. Het vijfde tegenargument is, dat er een heel verkeerd mensbeeld wordt gehanteerd bij orgaantransplantatie. De mens wordt een machine waarin onderdelen vervangen kunnen worden. Die onderdelen komen dan weer uit een andere motor. En als het onderdeel niet precies past, bouwen we iets extra’s in zodat het wel werkt.
Een tegenwerping is, dat het technische mensbeeld in de gehele geneeskunde speelt en dat we ons daarom ook zouden moeten bezinnen op andere terreinen van de geneeskunde. Horen gewone hartoperaties ook niet bij een technisch mensbeeld? Als de brandstoftoevoer van de bloedpomp het niet meer goed doet, leggen we een omleiding. En als de heup versleten is, geven we een nieuwe. Hoort dat ook niet allemaal bij een technisch mensbeeld? Deze tegenwerping is valide, maar toch denk ik dat orgaantransplantatie verder gaat.
6. Wat hiermee samenhangt is dat uit het oog wordt verloren dat transplantatie eigenlijk heel tegennatuurlijk is. Als het lichaam van de acceptor zo heftig reageert op een vreemd orgaan, is dat toch het duidelijkste bewijs dat orgaantransplantatie tegennatuurlijk is en daarom af te keuren?
Dit gaat niet helemaal op. We moeten ons de vraag stellen: waarom hebben we een HLA-systeem, waarom heeft iedereen een ander weefseltype? De reden hiervan is, dat de variatie in weefseltype het mensdom in bepaalde mate beschermt tegen epidemieën. Het is door God ingeschapen opdat er altijd mensen zouden overleven bij ziekte.[3] Omdat er zo een goede reden is voor deze variatie, is het moeilijk om vast te houden aan het argument dat deze variatie ingebouwd is door God om orgaantransplantatie te voorkomen. Wel blijft staan dat het onnatuurlijk is om het afweersysteem zodanig te onderdrukken dat mensen vatbaar worden voor allerlei infecties. Maar hier geldt ook weer dat er heel veel toepassingen zijn van immuunsuppressiva waar we geen probleem van maken.
7. Als zevende wil ik nog kort ingaan op de angst die leeft voor fouten die gemaakt worden bij orgaandonatie. Ik schreef net over een man die na een week weer bijkwam nadat de stekkers eruit getrokken werden. Het ging hier om een onbewust gemaakte fout. Deze kan zowel gemaakt worden bij mensen die orgaandonor zijn als bij mensen die dit niet zijn. Maar… indien deze man orgaandonor geweest was, had hij het niet overleefd. Dit is een aangrijpende gedachte en kan een reden zijn om ervoor te kiezen geen orgaandonor te worden. Ook hier een kanttekening: er zijn maar enkele gevallen van fouten bij het vaststellen van de dood van niet-donoren bekend. Daaruit kan wel afgeleid worden dat de methode die gebruikt wordt effectief is. Het is dan maar de vraag of je daarvoor orgaandonatie moet laten.
Echter, de meeste mensen zijn meer bevreesd voor bewust gemaakte fouten in de procedure rond orgaantransplantatie. Er zijn een aantal barrières ingebouwd om deze fouten te voorkomen, zoals het onderzoek door een onafhankelijke neuroloog. Het is moeilijk om hier gestaafde dingen over te zeggen. Persoonlijk geloof ik nog altijd in de integriteit van de arts.
Conclusie
We gaan ervan uit dat alleen offervaardigheid de drijfveer voor orgaandonatie mag zijn. Het is de vraag of we het als rentmeesters kunnen verantwoorden tegenover God. Ook is het de vraag of orgaandonatie niet verder gaat dan een gewone behandeling en of we het heft niet teveel in eigen handen willen nemen. Ik heb geconcludeerd dat er bij hersendood sprake is van werkelijk overlijden en dat we niet bang hoeven te zijn om delen van onze persoonlijkheid door te geven bij orgaandonatie. Verder is er wel sprake van een erg technisch mensbeeld, maar dat is ook, zij het minder, het geval bij andere medische handelingen. Orgaantransplantatie is in zekere zin tegennatuurlijk, maar we moeten voorzichtig zijn met de conclusie dat God het niet heeft gewild en daarom ieder individu een ander weefseltype gegeven heeft.
De vraag die overblijft is eigenlijk: kan een goede rentmeester, uit naastenliefde, zijn organen afstaan zonder daarbij mee te werken aan het trachten in te grijpen in Gods voorzienigheid? Als je goed naar deze vraag kijkt, maakt het dus eigenlijk niet uit of het gaat om levende donoren, gestorven donoren die aan de beademing blijven of non-heart-beating donoren. Ik wens iedereen die over deze vraag na wil denken wijsheid toe. Deze wijsheid is naar mijn overtuiging alleen bij God te vinden.
Artikelen
L.M.P Scholten, De Wachter Sions, 01-09-2005, Orgaandonatie
L.M.P Scholten, De Wachter Sions, 08-09-2005, Orgaandonatie (2)
L.M.P Scholten, De Wachter Sions, 15-09-2005, Orgaandonatie (3)
Boeken
Prof. Dr. G.A. Lindenboominstituut, Christelijk oriëntatie in medische-ethische onderwerpen, hoofdstuk 6, Orgaantransplantatie (Dick Pranger), uitgeverij Buijten en Schipperheijn Motief, Amsterdam, 2003
Dr. R. Seldenrijk, Organen en weefsels op reis, een medisch-ethische afweging van de transplantatie geneeskunde, Uitgeverij J.J. Groen en Zoon, 1993.
Internet
http://www.stichting-promise.nl/diversen/550.html
http://www.refdag.nl/oud/orga/980424orga11.html
http://www.pastoraat.com/heeldemens/diversen/519.html
http://www.donorvoorlichting.nl/
http://www.transplantatiestichting.nl/files/misc/protocol.pdf
[1] Iedereen dient dit formulier te ontvangen na zijn of haar 18e verjaardag. Mocht u niets ontvangen hebben, dan is het formulier op te halen bij apotheek of huisartsenpraktijk. Het is ook eenvoudig in te vullen op www.donorregister.nl
[2] HLA is de afkorting van Human Leukocyt Antigen. Antigen duidt op de eiwitstructuur waar het om gaat. De structuren op leukocyten en witte bloedcellen spelen een belangrijke rol in dit systeem.
[3] Aldus Prof. Dr. Benner van het Erasmus MC, afdeling immunologie. Hij is christen en ik heb hem de vraag voorgelegd of de variatie in HLA-type mogelijk ingeschapen is omdat God niet gewild heeft dat er delen van het menselijk lichaam uitgewisseld zouden worden. Hij heeft zijn antwoord onderbouwd, maar het voert te ver dat hier ook te doen. Zijn antwoord was aannemelijk, maar er zaten aannames in.
Dit artikel is geschreven door Peter van Vijven, 3e jaars Geneeskunde.
Lijkt het je ook leuk mee te schrijven aan deze jongerenwebsite? Meld je dan aan voor de werkgroep Words4Life!